Drie gedachten over transhumanisme
From WouterBeek.com
Contents |
0
Het transhumanisme is de filosofie die het gebruik van technologische middelen voorstaat om de biologische beperkingen van de mens te ontstijgen, en om – aldus – de menselijke conditie te transformeren. Zij beoogt daarmee de principes van het aloude humanisme door middel van technologische ingrepen te reviveren. De vooruitgang in – met name – de gebieden van de kunstmatige intelligentie en nanotechnologie (een tak van sport waarin men tracht stoffen op moleculair niveau te synthetiseren), maken het mogelijk om het menselijke perceptiesysteem te altereren, alsmede de cognitieve constellatie – meer of minder ingrijpend – te veranderen.
Deze gedachte vindt haar oorsprong aan het einde van de jaren veertig, in de geschriften van een aantal bekende science-fiction auteurs en veelgelezen populariseerders van de vooruitstrevende natuurwetenschappen, zoals Aldous Huxley, Abraham Maslow en Robert Ettinger. Maar waar de aanhangers van de transhumanistische ideologie tot voor een aantal decennia geleden nog voornamelijk dergelijke overfantasievolle futuristen waren, zijn er in de laatste 20 jaar steeds meer serieuze wetenschappers te vinden die soortgelijke ideeën koesteren.
Wereldwijd wordt er een steeds toenemend aantal verenigingen en onderzoeksorganisaties opgericht, met een steeds toenemend aantal leden. En tevens wordt er een steeds toenemend aantal onderzoeksposities vervuld ten behoeve van de verwezenlijking van het transhumanistische ideaal. Een voorbeeld hiervan, in het Nederlandse taalgebied, is de onderzoeksgroep Principia Cybernetica aan de Vrije Universiteit Brussel. Maar voor de daadwerkelijke ontwikkelingen moet men, zoals zo vaak, naar de ontwikkelingen aan Amerikaanse universiteiten kijken, waar het aantal ten behoeve van het transhumanistisch ideaal opgerichte organisatievormen vele malen groter is, en waar ook de eerste bedrijven zijn opgericht, die aan deze ideologie gerelateerde producten en diensten aanbieden.
Zo kunnen zieke mensen zich bij het bedrijf Alcor laten invriezen, totdat op een dag de genezing voor hun kwaal zal worden uitgevonden. Op dit moment liggen er 77 mensen in vloeibaar stikstof opgeborgen, te wachten op betere tijden. (Van vele van hen worden enkel de hersenen bewaard, in de hoop dat het in de toekomst mogelijk zal zijn er een gezond lichaam omheen te zetten.) Maar we hoeven niet uitsluitend naar dergelijke, absurdistisch aandoende, voorbeelden te verwijzen om in te zien dat, met de voortschrijdende ontwikkelingen op het gebied van de genmanipulatie en -selectie, alsmede de recente ontwikkeling van mens-machine interfaces, de beweging van het transhumanisme allengs meer aanhang en relevantie, ook aan deze zijde van de oceaan, zal krijgen.
I
De meest vooruitstrevende en veelomvattende ontwikkelingen van de transhumanistische ideologie zijn gericht op het verbeteren van de cognitieve apparatus van de mens. Het zou volgens deze idee mogelijk moeten zijn dat er een persoon (of mens-machine) zal ontstaan die veel sneller en/of beter zal kunnen denken dan een gewoon mens. Deze situatie is echter minder exotisch dan zij op het eerste gezicht lijkt, aangezien dit binnen een groot – en voortdurend toenemend – aantal domeinen al het geval is. Voorbeelden hiervan zijn het maken van berekeningen (een calculator van 5 euro overtreft ieder menselijk rekenwonder), schaken (Deep Blue versloeg Kasparov in 1997) en logistieke planning (de door het Amerikaanse leger gemaakte planningen van materieel en manschappen tijdens oorlogssituaties worden, vanaf de eerste Golfoorlog, door computers gemaakt). Maar zouden we één van deze, onze menselijke rationaliteit duidelijk overstijgende, toepassingen met het woord denken afficheren? De praktijk duidt aan van niet. Laten we iets dieper ingaan op één van deze voorbeelden.
Ooit was het spelen van schaak, op grootmeester-niveau, het toonbeeld van rationaliteit, en het schaakspel was een van de meest gebruikte metaforen om intelligentie en de diepere vormen van rationaliteit aan te duiden. Maar nadat bleek dat machines in deze taak veel beter waren dan mensen, trad de degradatie van het respect voor de rationaliteit van deze handeling al snel in. Immers, als men weet hoe het achter Deep Blue schuil gaande systeem functioneert, dan blijkt dit (louter) een kwestie van het volgen van bepaalde regels te zijn, gecombineerd met het – zo efficiënt mogelijk – doorzoeken van een gigantische ruimte van mogelijke, toekomstige bord-posities. Dit functioneren kan, op zich, natuurlijk een zeer ingewikkeld systeem van variabelen, condities en interdependenties behelzen, het woord denken en de notie van rationaliteit achten wij hier echter niet op van toepassing.
Op eendere wijze zal er, wanneer een primitievere samenleving – wiens bekendheid met mechanische technieken miniem is – voor het eerst de beschikking over een auto krijgt, aanvankelijk, ten aanzien van dit apparaat een diepe reverentie ontstaan (wellicht menen zij hierin zelfs een bovenmenselijke entiteit te zien). Wanneer hen vervolgens echter de werking van het apparaat ter oren komt, verdwijnt deze aanbidding meteen. Precies hetzelfde geldt voor de calculator en de schaak-computer. Het is geen kunst een grote berekening te voltrekken wanneer men over een processor beschikt die speciaal is ingericht om precies deze calculaties uit te voeren. En er is weinig kunst aan een schaakpartij te winnen wanneer men beschikt over een geheugen wat zo groot is, dat men alle mogelijke posities van toekomstige zetten voortdurend kan voorzien.
Nu kunnen we ons over de kwestie van het transhumanisme uitspreken. De reden voor het door ons gemaakte onderscheid tussen mens en machine lijkt aanvankelijk wellicht oneerlijk en op louter antropocentrisme gestoeld te zijn, maar zij is in feite gebaseerd op de onderkenning dat de mens op een fundamenteel andere wijze geconstitueerd is dan de machine. Want wat gebeurd er nu indien – zoals het transhumanisme beoogd – de verschillende technieken waaruit de moderne computersystemen zijn opgebouwd worden ondergebracht in de mens (of in een soortgelijk organisme)? Waarin zou dit dan verschillen van de huidige toestand?
Futurologen worden altijd lyrisch wanneer zij het hebben over geaugmenteerde mensen, die accurater kunnen rekenen, sneller kunnen rennen en beter kunnen schaken dan gewone mensen. Maar, welbeschouwd, is dit al het geval. Een mens met een rekenmachine, een schaak-computer en een auto (een fiets is eigenlijk ook al voldoende), voldoet geheel aan dit zo opgeklopte toekomstbeeld. Nu houd ik de calculator in mijn handpalm en ik maak zeer complexe berekeningen. Daar is, toegegeven, niets bijzonders aan. Nu zit de calculator onder mijn huid (bijvoorbeeld binnenin mijn handpalm) en nu is het ineens opzienbarend geworden dat ik een moeilijke som bereken, en staan de grenzen van “wat nog langer als mens en wat als super-mens gezien moet worden” ter discussie. Het blijkt nu dat zulk een hijgerige vraagstelling niet nodig is.
De echt interessante vraag hier is de volgende: waarom denken we dat een implantaat in ons lichaam ons fundamenteel meer tot een machine maakt dan ons huidige gebruik van externe machines en soortgelijke gereedschappen? Hieraan ligt – waarschijnlijk – een, vooralsnog ongearticuleerd, integriteitsbeeld van het eigen lichaam ten grondslag.
We zien dat wanneer een bepaalde menselijke taak, waarvan we gewoon zijn deze met termen als 'rationaliteit' en 'denken' aan te duiden, gemechaniseerd en/of geformaliseerd wordt, dat dan ook onze toekenning van deze woorden aan zulke taken abrupt verandert. De reden hiervoor is, klaarblijkelijk, dat het concept van rationaliteit een irrationele component bevat. Waarmee we bedoelen dat de rijke vormen van gedrag waarop wij het woord 'denken' van toepassing achten, klaarblijkelijk, altijd een niet-formaliseerbare component dienen te bevatten. Deze 'niet-formaliseerbare entiteit' kan, wellicht, als zijnde een weinig mystiek overkomen – zeker wanneer men haar met een term als 'irrationaliteit' proberen aan te duiden –, maar deze zweem van mysterie is hier ongepast. Zo is er niets mysterieus aan het maken van een berekening (en als dit wel een mysterie omhelst, dan is alles een mysterie). Maar het was een mysterie voordat het proces geformaliseerd werd. Dat een bepaalde, volgens een specifiek formalisme geconstrueerde, machine een calculatie maakt is niet vreemd, maar dat een mens eenzelfde berekening voltrekt, dat is diep mysterieus, tenzij wij het beeld van de machine als metafoor voor het menselijke denken nemen, dan worden de mysterieuze diepten van de menselijke rationaliteit verhelderd en van hun mysterie ontdaan, door de elucidatie die de machine-metafoor ons biedt.
De uitvindingen van de Kunstmatige Intelligentie (evenals die in aanverwante vakgebieden, die eenzelfde houding ten opzichte van de mens innemen, en die collectivistisch met de term 'cognitiewetenschappen' worden aangeduid) heeft, in het verleden, de betekenis van het woord 'denken' enigsinds veranderd, in zoverre de door haar geconstrueerde metafoor voor het deken, op overtuigende wijze, de prestaties van de oorspronkelijk nog met 'denken' aangeduide complement benaderde.
Wat het transhumanisme zal doen, is deze betekenis (van het woord 'denken') nog een beetje veranderen, maar niet zo drastisch als de uitvindingen van de 'gewone' AI dat al hebben gedaan en nog zullen gaan doen. We hoeven, met betrekking tot het transhumanisme, dan ook geen al te grote breuk – noch ten voordele, noch ten nadele – met onze huidige manier van leven te verwachten. Indien onze menselijke levensvorm assimileert met de metafoor van het formalisme, en daardoor verandert, dan verkeerd de mens reeds sinds de uitvinding van de eerste formalismen en van de eerste gereedschappen, in een constante toestand van transhumanisatie. We kunnen ons echter afvragen waarom we hier nog van 'trans' spreken, wanneer een dergelijke beweging reeds inherent aan de het begrip van de mens lijkt te zijn. De notie 'trans' duidt dan ook, daadwerkelijk, iets heel anders aan. Het probeert een breuk met onze natuur te suggereren die er, in werkelijkheid, niet is.
(De restricties, opgelegd door onze biologische constitutie, alsmede de limitaties van ons communicatiemedium, die in tandem met de restricties van de wereld (d.i. de vorm van de werkelijkheid) opereren, bepalen het gebied waarover de definitie van een term als 'denken' zich kan uitstrekken, en waarbinnen zij van betekenis kan veranderen. Daarbuiten echter kan zij niet treden zonder, geheel, haar betekenis te verliezen.)
II
Stellen we ons een transhumanist voor. Deze kan veel sneller en veel beter denken dan ik. Laten we zeggen dat de transhumanist een werk van de complexiteit van Spinoza's Ethica in één milliseconde kan bedenken. Zij ziet de gehele constellatie van aan elkaar gerelateerde ideeën – in één moment – voor haar transhumane geestesoog. Dit is werkelijk heel knap, en zeker trans-humaan. Maar hoe weten we dat van zulk een toestand sprake is? Wellicht stelt de transhumanist mij gerust met de mededeling dat dit inderdaad het geval is: “Ik heb nu een idee met een soortgelijke complexiteit als Spinoza's Ethica, en dit treedt in één keer voor mijn geestesoog. En bovendien,” vervolgt ze, “Dit alles heb ik in één milliseconde verzonnen.” Awel, dat is – nogmaals – uiterst knap. Maar indien dit ons criterium is, dan bevinden zich – sinds zeer lange tijd – zeer vele transhumanisten onder ons. Want er zijn altijd al mensen geweest die beweerden in hun geest veel verder te zijn dan alle overige mensen, maar wanneer deze superieure toestand er vervolgens niet ook, op de een of andere manier, uit kwam, werden deze types – zonder scrupule – als gekken beschouwd, en toch niet als transhumanisten.
We moeten derhalve ons criterium aanscherpen. We moeten weten wat deze, zichzelf een transhumanist wanende, persoon nu precies voor haar geestesoog heeft. De transhumanist, met het onaantrekkelijke uitzicht op het anders door ons als een gek geafficheerd te worden, werkt met ons mee en begint nu het zich in haar geest bevindende, complexe idee uit te leggen. Maar deze uitleg duurt nogal lang. Het complexe idee blijkt uit een aantal axioma's en definities te bestaan, waarna hieruit een groot aantal stellingen kunnen worden afgeleid (het lijkt inderdaad behoorlijk veel op Spinoza's Ethica). Maar nu wordt de snelheid waarmee de transhumanist dit alles claimde bedacht te hebben, sterk gecontrasteerd met de snelheid waarmee zij het idee aan ons moet overdragen. De uitleg van de transhumanist duurt nu uren en uren, en dat – alhoewel op zich een knappe prestatie – kon Spinoza toch ook al.
“Maar,” verzekert de transhumanist ons, “ik had al deze dingen in één keer voor mijn geestesoog, en ik bedacht ze in één milliseconde.” Awel, dat is heel erg knap natuurlijk, als het waar is. Maar vooralsnog praat de transhumanist even snel als Spinoza dat eerder ook al eens deed. En misschien had deze eveneens alle ideeën in één keer tot zich laten komen, maar had hij er eveneens veel langer voor nodig om ze op papier te zetten. Wat is hier dan nog de betekenis van de notie van het 'in één keer vatten' van het totale idee? Betreft het hier meer dan louter een chimaera?
We kunnen aan onze transhumanist vragen wat het precies betekent om al deze zinnen, waarvoor men gewoonlijk vele uren moet uittrekken om ze uit te spreken, in één keer voor het geestesoog te zien. Kan zij ze werkelijk allemaal zien, en kan ze deze vervolgens heel erg snel lezen, zonder een voorafgaande zinnen weer te vergeten, waarbij er tevens verbanden tussen de zinnen onderling getrokken worden? Maar dan verschilt de transhumanist enkel in kwantitatief opzicht van ons, gewone mensen. En de snelheid van het transhumane denken zou dan gelijk zijn aan de snelheid van het innerlijke lezen en spreken van de transhumanist. Pas wanneer de transhumanist heel erg snel zou spreken, en wij dit zouden opnemen, om het vervolgens – vele duizenden malen vertraagd – af te spelen, zouden we een valide criterium hebben op basis waarvan we over haar vermeende superieure talenten zouden kunnen beslissen. En de reden waarom we deze uitleg wél zouden accepteren, is dat de gehanteerde compressie-methode nu objectief, via een extern mechaniek, is aangetoond.
De vraag rijst dan waarom een breinimplantaat belangrijker voor de constitutie van de transhumanist zou zijn, dan het hebben van een meer flexibele larynx. Want dit laatste lijkt een even zo fundamentele beperking te behelzen. (Want hoe zit dat bij mij zelf; kan ik werkelijk sneller denken dan ik praten kan; en kan ik daadwerkelijk sneller lezen dan ik praten (en dus ook denken) kan?)
III
Stellen we ons voor dat het slakje altijd al een transhumanist was, maar dat wij dat nog niet wisten. Het slakje kan dan een werk van de complexiteit van Spinoza's Ethica, of een willekeurig andere constellatie van een soortgelijke complexiteit, binnen één milliseconde bedenken. Dit zou zomaar het geval kunnen zijn, immers, wat weten wij nu van het slakje? De reden waarom we agnostisch zijn met betrekking tot het transhumanisme van de slak, is omdat de slak niet praat (ten minste niet tegen ons).
Maar wellicht heeft het slakje een geheel ander communicatiesysteem dan wij. Misschien maakt het wel gebruik van zijn tentakeltjes, waarmee het zeer specifieke regio's van een ander slakje zijn voelsprietjes aanraakt, dit alles in een bepaalde volgorde en volgens een bepaald patroon; met andere woorden, volgens een hele eigen grammatica. Stellen we ons, eveneens, voor dat dit communicatiemedium vele malen efficiënter is dan het onze, waardoor ideeën met de complexiteit en grootte van Spinoza's Ethica binnen één milliseconde kunnen worden overgedragen. Nu komt de intelligentie van de transhumanist, hier in de hoedanigheid van het slakje, pas goed tot zijn recht. Of misschien voltrekt de communicatie zich op een nog directere manier, en worden de gedachten door middel van gedachtengolven van het ene op het andere slakje overgedragen, zodat die vervelende barrière van de taal hen in het geheel niet meer hindert.
Dit alles, en nog veel meer, zou inderdaad op het slakje van toepassing kunnen zijn. En dit is precies wat een transhumanist is: een slakje over wiens (meer of minder superieure) gedachten wij volledig agnostisch zijn.
Publicatiegeschiedenis
De eerste versie van dit artikel verscheen in De Connectie, Nummer 3, Jaargang 3, April 2008.