Nieuwe studenten
From WouterBeek.com
Onwennig begeeft een jongeman, die niet ouder dan 18 jaren kan zijn, zich op het Spuiplein te Amsterdam. Hij zoekt enigszins wanhopig naar de naambordjes op de gevels van de hoekgebouwen van de hier samenkomende staten.
Het betreft hier, onmiskenbaar, een Nieuwe Student van de UvA. Hij komt zichtbaar van buiten Amsterdam, en waarschijnlijk ook nog uit een provinciaal en niet-stedelijk gebied. Hij trekt een verfrommeld stukje papier uit zijn binnenzak, kijkt er op om de naam zeker en vast goed in te prenten. Weifelt dan nog even, maar vraagt uiteindelijk, alle moed die er in zijn vingers en tenen nog te vinden is verzameld hebbende, een willekeurige passant naar de locatie van de ‘Oudemanhuispoort’. De persoon die hij aanspreekt blijkt een Engelse toerist te zijn die niets van de aan hem gestelde vraag begrijpt, maar op zijn beurt aan de student vraagt waar het ‘Van Gogue Museum’ ligt. Onze Nieuwe Student raakt nu lichtelijk in paniek. ‘I don’t know.’, brengt hij vlug naar buiten, ‘I… I don’t live here.’ De Engelsman groet daarop vriendelijk en loopt naar de andere kant van het Spuiplein om daar aan iemand anders naar de locatie van het museum te informeren. Na een zucht van opluchting te hebben geslaakt vervolgt onze Nieuwe Student zijn moeizame zoektocht naar het nu door hem gewreekte gebouw waar zodadelijk zijn eerste college zal beginnen.
Wanneer de Student, een aardige poos later, dan eindelijk de Oudemanhuispoort heeft gevonden, is het college al een half uur aan de gang. Zijn late binnenkomst irriteert de dienstdoende docent in het geheel niet. Er zullen op zo’n eerste collegedag, naar mate de les voortduurt, nog heel wat eerstejaars het lokaal komen binnendruppelen. Na slechts enige minuten, de Nieuwe Student heeft net zijn tas geheel uitgepakt, is het dan alweer pauze. Onze Nieuwe Student gaat nu voor het eerst in direct contact treden met de andere Nieuwe Studenten, en met de evenzovele oudere studenten, die dit eerstejaarsvak moeten overdoen. Een van deze hogerejaars vertelt hem dat hij normaliter nooit om elf uur in de collegebanken te vinden is, maar in dit uitzonderlijke geval wel gekomen is, aangezien het de eerste les betreft. ‘Bij afwezigheid tijdens de eerste les wordt je hier meteen uitgeschreven.’, legt de wijze ouderling aan de onervarene uit. Dit doet de Nieuwe Student beven van angst: directe uitschrijving. De lijnen worden hier klaarblijkelijk wel strak aangespannen! Wanneer de tweede helft van het college aanvangt is onze Student al heel wat wijzer geworden, en ook in de collegezaal zelf schrijft hij zo nu en dan iets van wat de voor het bord staande docent zegt op. Dit wordt beslist een hele knappe kop!
Als dan het college ten einde is gekomen, maakt onze Nieuwe Student zich op voor de wandeltocht naar een ander voor hem eveneens onbekend gebouw: het ‘PC Hooft Huis’. Gelukkig kan hij nu achter de stroom van andere eerste- en meerderejaars aansjokken. Hij kan daarom nu in alle rust genieten van de uiterlijke schoonheden die de grote stad Amsterdam te bieden heeft: in de Nes vraagt een zwerver hem om een euro, op de Damstraat schrokt een duif in één hap een halve frikandel op, en op de Dam zelf staan mensen die hun geld verdienen door – gehuld in vreemde kledij – zo min mogelijk te bewegen.
Hij is nu net aangekomen bij zijn tweede college op deze eerste dag: ‘Academische Vaardigheden’. Onze Student zal hier gaan leren hoe hij boeken moet opvragen in een bibliotheek en hoe hij op het internet naar informatie moet zoeken; handelingen die door mensen die nooit gestudeerd hebben vanzelf worden voltrokken, maar die aan de academie aparte lesuren vergen en voor welks doel er speciale lokalen zijn ingericht.
Het mooie aan het studeren in een andere stad is dat men het gevoel heeft een nieuwe kans te krijgen. Je mag weer helemaal opnieuw beginnen: een nieuwe opleiding, een nieuwe woonplek, de overgang van het gezinsleven naar het op jezelf wonen, de nieuwe omgeving en natuurlijk een geheel nieuwe vriendenkring. Deze grote mate van verandering schrikt uiteraard ook genoeg mensen af, en daarom prefereren evenzovele jongelingen de vertrouwde omgeving van hun ouderlijke stad of dorp. Onze Nieuwe Student is blijkbaar dapper genoeg geweest om de overstap te wagen. Maar hij lijkt nu niet meteen het type dat snel veel nieuwe vrienden maakt. Zo loopt hij enigszins gebogen en lijkt het alsof hij constant controleert of hij bij zijn volgende stap niet met zijn schoen in een hondendrol zal belanden. Als hij maar niet vereenzaamd op zijn veel te kleine kamer in een van de in triestheid gehulde flats in Diemen of in het tot zelfdoding uitnodigende gebouwencomplex Uylenstede...
Aan het einde van de dag loopt onze student, geheel tegen onze eerdere verwachtingen in, met een ongeveer even jong en ongeveer even licht voorovergebogen lopend meisje, hand in hand, vanaf het station Diemen Zuid richting een van de studentenflats. Hij woont dus toch in Diemen! Op zijn kamer was hij nog maar een keer eerder. Het aangezicht van deze grote grijze studenten-in-zich-dragende reuzen had hem toen enigszins beangstigd en de gedeelde keuken bleek wel erg vies te zijn. Maar hij mocht blij zijn een kamer in Amsterdam te hebben gevonden, zo hadden zijn ouders hem verzekerd.
De jongen en het meisje lopen nu nog ontzettend om, doordat ze over de parkeerplaatsen lopen. Spoedig zullen ze echter het vieze zandpad leren kennen dat station en blokkendoos in een onverbiddelijk strakke lijn met elkaar verbindt. Vlak voor de ingang van ‘hun’ gebouw aangekomen houden ze stil. De jongen zoekt naar de voordeursleutel. Zijn vingers tasten in zijn jaszak, vinden eerst het vanmiddag door hem gebruikte papiertje met ‘Oudemanhuispoort’ erop. Gaan nog wat dieper en vinden dan, op de bodem, de drie sleutels van gebouw, afdeling en kamer. De eerste sleutel die hij in het voordeurslot probeert te steken blijkt niet te passen. Maar de tweede die hij neemt is wel de goede. Hij moet haar nog een paar keer goed in het slot ronddraaien. De sleutels zijn nog nieuw en het mechaniek in het slot werkt stroef. De wind waait rustig als altijd door de hoge bomen, die hier onregelmatig geplant staan. Onder het licht ruisende geluid van voortdurend elkaar rakende blaadjes geeft het slot dan uiteindelijk mee. De haken van de sleutel worden één met het eerst nog ongewillige interne mechaniek. Onze student verdwijnt nu, samen met het meisje, uit ons zicht. Privé blijft immers privé.
Er hangt iets dromerigs over deze eerste dag. Zoals alles wat nog nieuw is een glans over zich liggen heeft, doordat de zintuigen enkel nieuwe impressies ontvangen. Weldra zal de omgeving echter gewoon worden. De colleges zullen spoedig gaan vervelen. En wat zal er van hem en het meisje worden? Maar laat onze student, samen met al die andere eerstejaars, nog even in alle onbezonnenheid ‘Nieuwe Student’ zijn. Ze hoeven nog niet te weten dat ze straks, in door met het boek van Leezenberg en de Vries gewapende medestudenten volgepropte metro’s, naar de rand van Amsterdam moeten afreizen om aldaar in gymlokaal ‘rood’, respectievelijk ‘blauw’, tussen evenzo getergde lotgenoten plaats te nemen om multiple choice bolletjes aangaande Bacon en Kuhn in te kleuren. Dat, en al die andere dingen die het studeren aan de UvA tot zulk een verschrikking maken, blijft op deze mooie eerste dag nog even verborgen.
Publicatie geschiedenis
Dit verhaaltje werd eerder gepubliceerd in Babel, Nummer 1, Jaargang 16 (September 2007).