Over het geven van voorbeelden in de filosofie
From WouterBeek.com
Of je nu een vak over Aristoteles, Foucault, Derrida of Arendt; over de ethiek van Descartes, de kentheorie van Locke, of de kleurenleer van Wittgenstein volgt, vroeg of laat zal de filosofiedocent naar een klein blauwig voorwerp op zijn lessenaar starend de volgende woorden uitspreken: ‘Neem nou dit flesje...’
Het idee is blijkbaar dat wanneer we de aspecten van een flesje kunnen beschrijven de oplossingen voor de overige filosofische problemen daar als vanzelf uit zullen volgen – wat waarschijnlijk een terechte veronderstelling is. Het is wel opmerkelijk dat de feministische garde niet ingrijpt om dit standaardvoorbeeld te bekritiseren. Het voorbeeld van het flesje is toch niet veel minder dan een verdekte poging de filosofische discussie om het mannelijk lid te laten revolveren.
Goede voorbeelden zijn voor de theorie die ze illustreren vaak cruciaal. Men kan zich niet aan de schijn onttrekken dat Plato’s Ideeënleer op een fundamenteel andere wijze gestalte had gekregen wanneer niet het ideale paard, maar de ideale pissebed gebruikt zou zijn om de theorie te illustreren. Men zou kunnen denken dat een ‘goed paard’ voor de mens nuttiger is dan een ‘goede pissebed’, maar dat is louter gebaseerd op onvoldoende kennis van de onvoorstelbaar nuttige rol die de pissebed vervult in het vermolmingsproces van ons tuinafval.
Ook in de oorzakenleer van Aristoteles lijkt het voorbeeld een cruciale positie in te nemen. Deze oorzaken worden namelijk vrijwel altijd aan de hand van een standbeeld uitgelegd, maar het is niet helemaal vanzelfsprekend dat deze vier oorzaken ook op andere typen objecten zouden kunnen worden toegepast, of hoe. Met betrekking tot de doeloorzaak wordt consequent gerefereerd aan de eikel die boom wil worden. Kan dit concept voor de moderne mens niet eens op een andere manier écht inzichtelijk worden gemaakt?.
De Engelse Wikipedia-pagina van Aristoteles neemt een gewaagde stap, en probeert het over een heel andere boeg te gooien door als voorbeeld dominostenen te gebruiken. Zo moeten de domino’s van een redelijk zwaar materiaal gemaakt zijn om elkaar omver te kunnen duwen (materiële oorzaak) en moeten ze een vorm hebben die ze in staat stelt om te vallen (vorm-oorzaak). De bewegingsoorzaak is de causale oorzaak die het ene steentje, al vallend, het andere steentje uit positie doet brengen. De doeloorzaak wordt helaas niet bevredigend gegeven. Moeten we voor ons begrip van Aristoteles dan werkelijk de vreugde van laagopgeleid, SBS6-kijkend Nederland aanhalen?
Andere terugkerende objecten die de hoogdravende theorieën tot enigszins wereldlijke proporties trachten terug te brengen zijn de tafel, de stoel, en het boek. Ze illustreren de sobere inrichting van de habitat van de filosoof. Het beste is natuurlijk nog een combinatie van dergelijke voorwerpen, maar zelfs in die combinaties zijn er duidelijke voorkeuren. Zo is ‘Het boek ligt op tafel’ veel populairder dan bijvoorbeeld ‘Van die boeken maken we een tafel!’ Gelukkig was Heidegger origineel genoeg om de tot handeling uitnodigende hamer aan het rijtje apathische voorwerpen toe te voegen. Wat is er immers toonaangevender voor de eenvoudige beroepssfeer van de werkman, woonachtig in het Schwarzwald, die model stond voor Heideggers nieuwe mens?
De tegenhanger van het filosofische voorbeeld in de logica is de voorbeeldzin. Zo is niemand zo sterfelijk gebleken als Socrates, heeft John zijn geloof in eenhoorns nog steeds niet opgegeven, en moet hij toch wel heel erg veel van Mary houden. De voorbeeldzinnen zijn cruciaal voor de manier waarop de logica is vormgegeven. Onze logica zou er fundamenteel anders uitzien wanneer deze zich in eerste instantie op voorbeeldzinnen zoals we die in ons dagelijks taalgebruik tegenkomen zou richten, zoals ‘Dus ik zeg tegen hem ik zeg ... hè,’ en ‘Nee lul, touw!’
Wanneer men wil beslechten of de filosofie nu al dan niet vooruitgang boekt kan men natuurlijk dat prachtige, aan de hele geesteswetenschappenfaculteit gevreesde boek van Leezenberg en De Vries erbij pakken om de grote ontwikkelingen door te nemen. Een veel beter antwoord op deze vraag krijgt men echter door te kijken of de filosofische voorbeelden door de eeuwen heen beter zijn geworden. Niet voor niets beginnen de auteurs hun boek met een aantal voorbeelden van ‘geesteswetenschap als beroep’. Zo lezen we op pagina 11: ‘9:15 UUR. Als Jeanne Verstappen haar e-mail opent treft ze daarin een uitnodiging aan om in Valencia te komen spreken,’ en ‘12:45 UUR. Het broodje kaas smaakt David Bos uitstekend,’ enzovoort. Geesteswetenschappers zijn ook maar mensen, moeten de samenstellers gedacht hebben. In de tweede schets herkennen we natuurlijk meteen de ons bekende wetenschapsfilosoof die, om privacy-redenen, ‘David’ wordt genoemd. Luttele zinnen later konden Leezenberg en De Vries het echter toch niet laten om de ware identiteit te doen doorschemeren door Diderots Jacques le fataliste te noemen.
Helaas is het gestegen niveau van filosofische voorbeelden, anders dan het beruchte boek in geesteswetenschapsfilosofie zou doen vermoeden, geen tendens in de twintigste eeuwse filosofie gebleken. Immers, wat te denken van G.E. Moore’s voorbeeld ‘Hier is een hand’ (zijn hand in de lucht houdend). De filosofie had er vanaf Thales blijkbaar 2563 jaar voor nodig om met dit onomstotelijke bewijs van het ‘bestaan van een externe wereld’ op de proppen te komen. Petje af voor Moore. Het leuke is dat Moore’s voorbeeld illustratief zou moeten zijn voor de ‘common sense’-aanpak in de filosofie. Spreek een toevallige passant op straat aan, steek je hand uit en roep blij ‘Kijk, hier is een hand!’ en in het gesticht zullen ze je nooit meer vrij laten.
Maar het mooiste blijven toch nog altijd de morbide voorbeelden waar de ethiek in grossiert. Of het nu de twee kinderen zijn die gelijktijdig verdrinken of de trolley die met grote vaart een wissel nemend één persoon respectievelijk een hele groep zal doodrijden – vrolijk zijn ze nooit. De voorbeelden zijn blijkbaar nodig om te laten zien dat ethiek over heel belangrijke zaken gaat. Laten we de bruikbaarheid van dergelijke voorbeelden voor ons dagelijks leven vooral niet onderschatten, want al zijn er niet zo veel trolleys meer, kinderen verdrinken helaas nog steeds bij de vleet.
Kortom, de voorbeelden die de filosofie ons geeft zijn soms wellicht invloedrijker in ons dagelijks gebruik dan de ingewikkelde theorieën die ze moeten verduidelijken. Neem nu de Kritik der Praktischen Vernunft van Immanuel Kant, daar begrijp ik geen hout van. Toch weet ik maar al te goed hoe correct te handelen wanneer iemand in het holst van de nacht wanhopig aan mijn voordeur staat.