Primitiviteit en religie

From WouterBeek.com

Jump to: navigation, search
Primitiviteit en religie.jpg

In verband met de levenswijze van primitieve volkeren hoort men vaak het volgende: Een primitief volk voert een regendans uit, in de hoop dat het daarna gaat regenen. Dit doet zij opdat het dan, gemedieerd door de goedschiksheid van een regen-god, uiteindelijk gaat regenen.

Zo wordt de suggestie gewekt dat het verband tussen de dans van de hier aangehaalde primitieven en een bepaalde meteorologische gebeurtenis in de hen omringende wereld, door deze primitieven zelf, als causaal wordt ervaren. Er is met deze talloos vele malen – zowel in schrift als in gesprek – gegeven voorbeelden, alsmede haar vele varianten – bijvoorbeeld die waarin de angst voor de donder en de bliksem onder primitieven wordt verklaard vanuit hun ontoereikende kennis van de natuurwetten – echter het een en ander mis.

Het lijkt toch zeer vreemd dat primitieve volkeren vele eeuwen een causaal verband hebben aangenomen, zonder dit verband vervolgens te zijn gaan testen. Zulk een test zou al uit het één keer niet houden van een regendans kunnen bestaan. Na verloop van tijd kan men vaststellen dat het toch wel weer gaat regenen, waarmee het eerder aangenomen verband ontkracht is. Nu kan men hier tegenin brengen dat de primitieven zo primitief zijn, dat zij een dergelijk experiment eenvoudigweg nooit hebben ondernomen. Het lijkt echter moeilijk om dit experiment zo lang te onderdrukken; vroeg of laat zorgt het lot wel eens voor een niet voorbereide test-case zou men denken: men is van plan om morgen pas een regendans te gaan houden, maar vanmiddag begint het – plotsklaps – al te regenen.

En zelfs wanneer een dergelijk experiment niet voor zou komen, dan is het tegenovergestelde experiment toch nog steeds mogelijk, namelijk dat experiment waarbij men wel een regendans uitvoert, maar waarbij het vervolgens weken lang maar niet wil gaan regen. Wellicht hebben de primitieven er, toen dit zich voordeed, voor gekozen om het uitblijven van de regen op een andere manier te verklaren. Misschien was de regendans niet goed uitgevoerd? Wellicht was er iets mis met een ander aspect van hun leven, waardoor de regen-god gekrenkt was geraakt? Enz. Maar de hypothese dat het de goden zijn die de omstandigheden in de wereld bepalen wordt niet door hen verworpen.

Aldus wordt de hypothese steeds ingewikkelder gemaakt, met als doel het oorspronkelijke geloof in een verband tussen dans, goden en regen in stand te kunnen houden. In plaats van de oorspronkelijke eenduidige causale keten hebben we het nu over een web van in elkaar verstrengelde causale krachten met hun respectievelijke uitwerkingen. Inmiddels is de vreemde tegenstrijdigheid ontstaan dat daar waar de primitieven intelligent genoeg blijken te zijn om steeds ingewikkeldere hypothesen op te stellen, al naar gelang er falsificerende voorbeelden zijn die zich voordoen, ze – aan de andere kant – te primitief zijn om, in plaats van het maken van al deze elaboraties, de oorspronkelijke hypothese – één maal – kritisch te bezien.

En zo wordt de gedachte in ons steeds sterker dat er iets fundamenteel mis is met deze zienswijze op de religieuze praktijken van primitieve volkeren, als zou het hier een substituut voor het ontbreken van een rigoureuze natuurkunde betreffen. Men moet – na een en ander afdoende bezien te hebben – tot de conclusie komen dat de explicatie van de religieuze handelingen van primitieve volkeren in termen van (onvoldoende getoetste) hypothesen, onhoudbaar is. Een dergelijke formulering van het gedrag en de cultuur der primitieven, in louter causalistische termen, blijkt dan ook een toonbeeld te zijn van de apodictische wijze waarop wij ons wereldbeeld aan hen willen opdringen. Het betreft hier niets minder dan de moderne vorm van de missionaris-mentaliteit die nu onder de noemen 'wetenschappelijke methode' haar intrede doet.[1]

Maar wat geloofden de primitieve volkeren dan wél? Waarvan was hun regendans dan wél een uiting? Een dergelijke vraag kan enkel afdoende worden beantwoord wanneer men zich het religieuze aspect van deze handelingen ten volle bewust wordt, en dus niet verzoekt deze geheel tot louter beschrijvende termen te reduceren. Een bijkomstige complicatie bij de voltrekking van een dergelijk onderzoek is dat veel onderzoekers in de huidige tijd zelf niet meer religieus zijn, wat het herkennen van de religieuze component in andere culturen er niet bepaald makkelijker op zal maken. De causalistische visie is immers de atheïstische visie, niet omdat de notie van causaliteit – op zich genomen – aan een religieus wereldbeeld antipathiek zou zijn, want dit is in het geheel niet het geval, maar wanneer men van elke vorm van uitleg eist dat zij enkel in causale termen geformuleerd wordt – een vorm die om geen enkele intrinsieke reden het alleenrecht op rationele explicatie kan claimen –, wordt religie zelf als overbodig gezien en in het geheel niet meer beschreven, maar ingeruild voor het enige wat er nog overblijft: een meer of minder geslaagde vorm van natuurkunde.

Deze op de primitieve stammen toegepaste kritiek kunnen wij eveneens op de moderne gelovige toepassen. Een moderne gelovige zou dan in de ogen van een atheïst iemand zijn die nog steeds met slecht geverifieerde hypothesen door het leven gaat. Misschien is dit niet eens een geheel fictieve karakterisering van de wijze waarop in de moderne wereld naar het geloof wordt gekeken. Een gelovig iemand denkt, klaarblijkelijk, nog steeds dat er een causaal verband bestaat tussen het aansteken van een kaarsje in de kapel en het winnen van de lotto. Maar zulk een causaal verband is er uiteraard niet. We weten allemaal dat zowel de regen als het fortuin op de gelovige en de ongelovige in gelijke mate neerdalen. Maar de claim van religie – in primitieve zowel als in moderne samenlevingen – is nooit geweest een meer of minder succesvolle beschrijving van de wereld te geven, maar is altijd gericht op het tonen van ontzag voor wat men de randen van die wereld zou kunnen noemen; dat wil zeggen, zij is gericht op datgene wat de wereld überhaupt mogelijk maakt. Want het feit dat er een wereld is, dat is zelf een diep mystiek gegeven.[2]

Wellicht kan de atheïst gekenschetst worden als een persoon die ontkent dat onder de wereld een dergelijke buitenwereldlijke ondergrond schuil gaat. Maar het ontbreken van het mystieke is zelf een uiterst mystieke stellingname. Wanneer uitsluitend een meer of minder geslaagde analyse in termen van natuurkundige en darwinistische termen gerechtvaardigd zou zijn, zou het toch toevallig zijn dat de wereld op deze, en op geen enkele andere wijze, gekend kan worden. De emoties worden gereduceerd tot fysicalische processen, maar dat fysicalische processen de emoties volledig zouden beschrijven is een diep mysterieuze veronderstelling die zelf explicatie behoefd. Hiermee wordt niet bedoeld dat deze of gene veronderstelling onwaar zou zijn, want dat weten we niet. Maar we weten ook niet of deze veronderstelling waar is, en of zij daadwerkelijk andere veronderstellingen aangaande de betekenisvolheid van de wereld noodzakelijkerwijze uitsluit. Het probleem is dan ook niet dat er iets mis zou zijn met een bepaalde stellingname, maar dat de kritische vraag naar deze stellingnamen in het geheel niet meer gesteld wordt.

Wat aldus nodig is, is een hernieuwde aandacht voor de beschrijving van religieuze handelingen in religieuze termen (en ethische handelingen in ethische termen, en esthetische in esthetische termen), om aldus tot een meer waarheidsgetrouwe kennis van culturen en religies te komen. Iets wat wij, als geciviliseerde mensen, toch wensen te doen, nietwaar?

Referenties

  1. Hoe tegen-intuïtief het denken in termen van hypothesen in combinatie met de toetsing door experimenten is, blijk uit de zeer moeizame ontstaansgeschiedenis van de experimentele traditie. Deze vangt pas echt goed aan met het werk van Roger Bacon (1214–1294). Deze werd in zijn tijd echter, juist vanwege zijn gebruik van een experimentele methodiek, verguisd. Het zou nog een kleine 250 jaar duren voordat het experiment, onder de auspiciën van Francis Bacon (1561-1626), voldoende respectabel geacht werd om als wetenschappelijk gekenmerkt te worden. En hierin toont zich de specifieke Verlichtte en Westerse inbedding van het hypothetisch-inductieve model. De experimentele traditie is in de huidige tijd, zoals in iedere, niet de enige en wellicht niet eens de meest invloedrijke. Zij moet, zoals iedere methode, voor haar bestaansrecht steeds weer opnieuw instaan, waarmee haar niet-vanzelfsprekende karakter afdoende benadrukt is. Zie, ter illustratie van het hier beweerde, de subtiele beschrijving van de rivaliteit tussen de experimentele en de mathematische traditie binnen de natuurkunde in Thomas Kuhn's 'Mathematical versus Experimental Traditions in the Development of Physical Science' In: The Journal of Interdisciplinary History No. 7 (1976), p. 1-31. Herdrukt in The Essential Tension. Selected Studies in Scientific Tradition and Change, 1977, p. 31-65. En dan gaat het hier ook nog over wat men de thuisbasis van de experimentele wetenschap zou kunnen noemen. De toepassing van het causalistische program binnen, bijvoorbeeld, de sociale wetenschappen zal dan ook beslist niet minder problematisch zijn.
  2. Tractatus 6.44 en 6.45.
Personal tools