Semantisch Solipsisme
From WouterBeek.com
Met 26 letters kunnen we een oneindig aantal verschillende woorden maken, en met een beperkte hoeveelheid woorden – de Van Dale bevat er ongeveer honderdduizend – kunnen we een potentieel oneindig aantal zinnen samenstellen. Zo zijn we in staat om met een zeer beperkt arsenaal alles te begrijpen wat mensen ooit gedacht hebben of ooit nog eens gaan denken. De praktijk van deze onbeperkte inzetbaarheid van beperkte middelen heet ‘communicatie’.
Nu houdt de traditionele betekenistheorie volgens sommige filosofen te weinig rekening met de context waarin een zin wordt gebruikt. Er worden weliswaar alternatieven geboden, maar deze zijn doorgaans niet formeel-theoretisch van aard, en dus niet in staat om de oneindige toepasbaarheid van eindige middelen te verklaren. Is het mogelijk om met het concrete gebruik dat mensen van taal maken rekening te houden en tegelijkertijd een formele theorie die communicatie kan verklaren te hanteren?
Contents |
Formele semantiek
Centraal staat de vraag hoe het mogelijk is dat we met zo weinig linguïstische middelen een schijnbaar onuitputtelijk aantal gedachten kunnen communiceren. Volgens Frege komt dit doordat de betekenissen in de taal compositioneel zijn opgebouwd. Deze opbouw voltrekt zich parallel aan de compositionele opbouw van de syntaxis. De zin ‘Theaetatus vliegt’ is opgebouwd uit de woorden ‘Theaetatus’ en ‘vliegt’. Door aan beide woorden de juiste betekenis te geven en door de juiste regel voor het combineren van deze twee betekenissen te gebruiken, kan de betekenis van de zin automatisch (bijvoorbeeld door een machine) worden bepaald.
De discipline die betekenissen aan woorden toekent en regels voor het combineren van betekenissen parallel aan de syntactische regels verzint, heet semantiek. Het mooie aan dit vakgebied is dat het ons in staat stelt om (deelgebieden van) de menselijke communicatie uit te leggen in termen van een beperkte machinerie die toch helder geformuleerd is. De theorie is abstract, in die zin dat de notie van concreet taalgebruik er niet in voor komt. Het enige wat we over de spreker en de toehoorder hoeven te zeggen, is dat ze dezelfde betekenissen aan woorden toekennen en dezelfde combinatieregels hanteren (plus dat ze dit van elkaar weten).
Maar ondertussen is het een inherente eigenschap van taal dat zij wordt gebruikt. Bijvoorbeeld om iemand te beledigen, of om iemand mee uit te vragen, of beide. Is het nu werkelijk mogelijk om in een abstracte semantiek op het gebruik geënt linguïstisch gedrag uit te leggen?
Een kleine aanpassing
Er lijken zich problemen voor te doen zodra we bedenken dat onze taal niet alleen woorden als ‘Theaetatus’ en ‘vliegt’, maar ook woorden als ‘ik’ en ‘morgen’ bevat. Alhoewel ‘Theaetatus’ Theaetatus betekent en ‘vliegt’ vliegt, kan ‘ik’ niet louter ik betekenen en ‘morgen’ niet louter morgen. Want als ik ‘ik’ zeg, dan bedoel ik Wouter, terwijl wanneer jij ‘ik’ zegt je _________ bedoelt. Iets soortgelijks geldt voor ‘morgen’, want daar bedoel ik nu Koninginnedag 2009 mee, maar morgen bedoel ik er de dag na Koninginnedag 2009 mee.
De semanticus laat zich de kaas echter niet zo makkelijk van de formele boterham eten, en is daarom met een slimme oplossing gekomen. We moeten hiervoor een bescheiden stapje buiten de ivoren toren van de formele abstractie zetten. Dit doen we door een beperkt aantal eigenschappen van de context van het gebruik van een zin te betrekken bij het vaststellen van de betekenis van die zin. Voorbeelden van dergelijke eigenschappen zijn de spreker voor het bepalen van de betekenis van ‘ik’, en het tijdstip van uitspraak voor de betekenis van ‘morgen’.
We hebben nu dus niet langer een volstrekt op zinnen gebaseerde theorie van communicatie. Want nu moeten spreker en toehoorder niet alleen de betekenissen van de woorden en de combinatieregels van die woorden in zinnen met elkaar delen, maar ze moeten ook nog een aantal eigenschappen van de context van het concrete gebruik van die zinnen delen. Toch is de syntactische structuur nog steeds theoretisch primair, in die zin dat de betekenisopbouw nog steeds compositioneel is, en dus in overeenstemming met Freges uitleg van menselijke communicatie. Dit komt doordat de contextuele factoren aan de hand van de syntax, op lexicaal niveau, geïntroduceerd worden.
Contextualisme
Volgens sommige filosofen, doorgaans ‘contextualisten’ genoemd, is de notie van betekenis die we hierboven hebben gegeven echter nog steeds onvolledig. Volgens hen moeten we een veel drastischer stap in de richting van het gebruik van zinnen zetten. Neem als voor- beeld de zin ‘Het regent’. Wanneer we uitsluitend naar de syntax kijken kunnen we afleiden dat het hier een gebeurtenis betreft, namelijk regenen. Maar voor het verklaren van communicatie lijkt dit nog niet voldoende te zijn, want wanneer iemand tegen mij zegt: ‘Het regent,’ dan wil diegene daarmee duidelijk maken dat het op een bepaalde plek regent. Maar in onze eerder beschreven aanpak kennen we enkel betekenissen toe aan lexicale elementen, en nergens in de zin ‘Het regent’ komt een indicatie van de geografische locatie waar het regent voor. De invulling van deze ‘verborgen term’ is afhankelijk van het gebruik, want nu ik thuis zit bedoel ik met ‘Het regent’ dat het in Slotervaart regent, maar toen ik gisteren op mijn werk zat en zei: ‘Het regent’, bedoelde ik dat het in de Watergraafsmeer regende.
De zin ‘De appel is groen’ kan onder verschillende omstandigheden verschillende dingen betekenen. Bijvoorbeeld dat de helft van de buitenkant van de appel groen is, of dat de gehele buitenkant van de appel groen is, of iets daartussenin, of dat de appel van binnen groen is, enzovoort. Wat ik bedoel wanneer ik zeg dat de appel groen is, maakt deel uit van de betekenis van de zin ‘De appel is groen’. Maar wanneer dit voor ieder woord geldt dan is het duidelijk dat de betekenis van iedere zin in de taal alleen nog maar vastgesteld kan worden ten opzichte van de context waarbinnen die zin wordt gebruikt.
Minimalisme
Gelukkig zijn er nog steeds filosofen, doorgaans ‘minimalisten’ genoemd, die kranig aan de formeel-semantische notie van betekenis vasthouden. Volgens een minimalist betekent ‘Het regent’ gewoon dat het regent, punt uit. En de betekenis van de zin ‘De appel is groen’ is gewoon dat de appel groen is, punt uit. Het is niet verwonderlijk dat voor veel minimalisten Freges verklaring voor het succes van menselijke communicatie een belangrijke reden is om aan zinnen alleen maar deze ‘minimale’ betekenissen toe te kennen.
Het probleem is echter dat de minimale proposities die de minimalisten zo over houden niet toereikend lijken te zijn om geslaagde communicatie te kunnen waarborgen. Zo maakt de plaats waar het regent geen deel uit van de betekenis van de zin ‘Het regent’, terwijl dit wel in de communicatie wordt overgedragen. Een ander voorbeeld: met het uitspreken van de zin ‘Alle studenten hebben Wetenschapsfilosofie gehaald’, wordt niet gecommuniceerd dat alle studenten het vak Wetenschapsfilosofie hebben gehaald. Er wordt, met betrekking tot een bepaald gebruik, mee bedoeld dat alle studenten uit de bachelor Wijsbegeerte aan de UvA, uit werkgroep 3, het vak Wetenschapsfilosofie hebben gehaald. Dergelijke uitbreidingen van de gecommuniceerde betekenis zijn echter niet af te lezen aan de vorm van de uitgesproken zin. Ook minimalisten erkennen dat met een uitspraak van de zin ‘Het regent’ veel meer wordt uitgedrukt dan enkel de minimale betekenis dat het regent. De verdere aspecten die vanuit deze minimale betekenis voor de volledig uitgedrukte betekenis zorgen, worden door hen echter aan niet-compositionele en niet-semantische processen overgelaten. Maar dit betekent dat een essentieel deel van de communicatie pas in het niet-compositionele en niet-semantische gedeelte van de theorie wordt verantwoord. Want ik kan met de zin ‘De appel is groen’ bedoelen dat de appel groen is wanneer die geschild en gewassen is, eventuele bruine plekken zijn weg gesneden, en de belichting aan bepaalde voorwaarden voldoet. Het overgrote gedeelte van de gecommuniceerde inhoud wordt dan door de pragmatiek, en niet de semantiek, bepaald.
Contextualisme en communicatie
Hoe zit het dan met de contextualisten, kunnen zij wel een toereikende uitleg van communicatie geven? Contextualisten laten het idee van abstracte betekenissen op zinsniveau helemaal los. Zo houden zij alleen nog maar concrete situaties van zinsgebruik over. In het concrete taalgebruik komt één woord in een aantal verschillende situaties voor. Vervolgens stellen contextualisten dat mensen een taal leren door de overeenkomsten tussen deze verschillende waargenomen situaties te onthouden, bijvoorbeeld door elke keer de waarneming van een appel te onthouden. Vervolgens wordt deze overeenkomstige waarnemingsinhoud aan het woord dat steeds in deze situaties werd uitgesproken gekoppeld, bijvoorbeeld het woord ‘appel’. Zulke contextualistische betekenistheorieën zijn gebaseerd op het idee dat betekenissen aan woorden kunnen worden toegekend, waaruit dan weer de betekenissen van zinnen volgen, zonder dat deze verandering in schaal – van woorden naar zinnen – gebaseerd is op Freges principe(s) van compositionaliteit. Niet alleen de syntax, maar ook een onbekend aantal eigenschappen van de context, waaronder de intenties van de spreker, spelen in de opbouw van de betekenissen van zinnen een noodzakelijke rol. Maar deze contextuele eigenschappen zijn zelf niet gestructureerd, waardoor het een open vraag blijft hoe de betekenissen moeten worden gecombineerd om tot een succesvolle theorie te komen die betekenissen aan zinnen toekent. Het lijkt nu alsof beide richtingen, zowel het formeel-semantisch minimalisme (à la Frege) als het contextualisme, het succes van communicatie niet kunnen verklaren.
Praktijken
Het probleem, zoals hierboven beschreven, komt er grofweg op neer dat een betekenis- theorie die alleen naar zinnen kijkt te abstract is, terwijl een betekenistheorie die zich op uitspraken richt te specifiek is, in die zin dat het niet meer duidelijk is hoe deze nog tot een (algemene) theorie kan leiden. Ik zou dan ook willen suggereren dat er een tussenstap moet worden ingebouwd. Deze tussenstap bestaat uit de praktijken waarbinnen zinnen worden gebruikt. Laten we hier eerst een voorbeeld van bekijken.
Ik heb als taak gekregen om appels te gaan sorteren. De persoon die mij in die taak onderwijst zegt steeds wanneer zij een appel opzij legt: ‘Deze appel is groen’. Ik merk op dat de appels die zij opzij legt voldoen aan de kenmerken die ik zou beschrijven met de woorden ‘de appel is groen aan de buitenkant’. Ik hoef me nu geen zorgen te maken, zoals de contextualisten deden, of ik niet eigenlijk een veel gecompliceerdere beschrijving moet hanteren, bijvoorbeeld over de mate waarin de appel groen is, de be- lichting, et cetera. Mocht een van deze additionele (in de context saillante) aspecten van het groen-zijn van de appel voor het voltrekken van mijn taak relevant zijn, dan zal mijn gebruik van de zin ‘De appel is groen’, zoals toegepast op appels die groen zijn aan de buitenkant, worden gecorrigeerd. Door middel van correctie kan ik dan bijvoorbeeld erachter komen dat mijn werkpartner met de zin ‘De appel is groen’ bedoelt dat minstens de helft van de oppervlak- te van de appel groen is.
Een onderdeel van mijn oplossing is dat de betekenistheorie die zo gegeven wordt niet meer voor een natuurlijke taal, bijvoorbeeld het Nederlands, werkt. We ruilen de notie van een taal in voor de veel bescheidenere notie van een praktijk. De betekenistheorie die het communicatieve vermogen van de spreker en de toehoorder weergeeft genereert alleen de betekenissen van linguïstische expressies in zoverre deze in de praktijk voorkomen en een functie ten behoeve van die praktijk hebben. Het cruciale onderscheid met de hierboven problematisch gebleken theorieën is dat we ons binnen de hier gesuggereerde aanpak niet meer hoeven af te vragen in hoeverre we additionele context-afhankelijke factoren moeten toevoegen om de betekenis van zinnen in het algemeen (dat is, voor alle mogelijke vormen van gebruik binnen een taal) te geven. Onze theorie hoeft enkel betekenissen te genereren die voldoende zijn om het specifieke communicatieve doel binnen deze of gene praktijk te beschrijven. Aangezien onze betekenistheorieën – voor elke praktijk één – enkel nog het taalgebruik binnen een praktijk hoeven weer te geven, is het aantal contextuele factoren waar we rekening mee moeten houden beperkt tot alleen die factoren die voor het voltooien van de in de praktijk gelegen doelen noodzakelijk danwel handig zijn. Dit betekent dat, met het oog op individuele praktijken, een compositionele, en slechts in beperkte mate contextafhankelijke, betekenistheorie volstaat. De kritiek van contextualisten op niet-contextualistische betekenistheorieën dat de zin ‘De appel is groen’ van alles en nog wat kán betekenen, is pas van toepassing wanneer één van deze mogelijke betekenissen een rol speelt binnen een praktijk. Zolang dat niet het geval is zal één expressie volstaan om een arbitrair aantal mogelijke, maar niet actuele, functies te vervullen.
Hebben we het probleem nu niet gewoon ver- plaatst naar de manier waarop we tussen verschillende praktijken moeten wisselen? Ik denk het niet. Ik ga ervan uit dat een praktijk relatief eenvoudig te identificeren is, aangezien binnen een praktijk bepaalde normen voor correct en niet-correct gedrag gespecificeerd zijn ten opzichte van een beperkte variatie van contextuele factoren; denk hierbij onder andere aan trivialiteiten als het feit dat ik op kantoor een hele andere set van praktijken verwacht dan in de bioscoop. Dit betekent dat onze betekenistheorie, door het theoretische belang van de praktijk waarin we ons bevinden, nu voorgoed de ivoren toren van de abstracte, van iedere vorm van gebruik gespeende, semantiek heeft verlaten. Tegelijkertijd betekent dit echter niet dat we, zoals de contextualisten denken, geen gebruik meer kunnen maken van de traditionele conceptie van formele semantiek: binnen iedere praktijk wordt de betekenis van expressies geheel beschreven door een formele betekenistheorie. Aangezien het aantal contextuele factoren dat voor een praktijk relevant is eindig is, kan de aanverwante betekenistheorie tussen spreker en toehoorder gedeeld worden en zodoende communicatie verklaren.