Wet en handeling in de filosofie van Kant

From WouterBeek.com

Jump to: navigation, search

Contents

Onderzoeksvraag

Kan Kant de verbinding tussen een juiste maxime en een morele handeling verklaren?

De gewone mens

Kant maakt in het begin van het eerste hoofdstuk van de Grundlegung zur metaphysik der Sitten een onderscheid tussen twee soorten mensen. Te weten zij die de rede cultiveren en zij die dat niet doen. Over het eerste soort mensen schrijft Kant het volgende: “[...] je mehr eine kultivierte Vernunft sich mit der Absicht auf den Genuss des Lebens und der Glückseligkeit abgibt, desto weniger der Mensch von der wahren Zufriedenheit abkomme [...]” [Kant 1785, p. 6]. Het tweede soort mensen wordt vervolgens in contrast hiermee beschreven: “[...] den gemeinen Schlag der Menschen, welcher der Leitung des blossen Naturinstinkts näher ist, und der seiner Vernunft nicht viel Einfluss auf sein Tun und Lassen verstattet [...]” [Kant 1785, p. 7].

Kant wil in deze alinea aantonen dat de ‘mensen van het verstand’ vaak ongelukkiger zijn dan de ‘mensen van het instinkt’ omdat het instinkt direct op het verzekeren van de privé-behoeften gericht is, terwijl de rede de mens noopt tot het in acht nemen van een veel algemener principe, wat de privé-bedoeling van de mens grotendeels tegenwerken kan. Dit algemene principe, zo zal Kant in de rest van dit hoofdstuk uiteenzetten, is de verzameling van volgens de categorische imperatief af te leiden wetten. De tweede groep mensen, namelijk zij die enkel (of grotendeels) volgens het instinct te werk gaan, wordt hier duidelijk negatief gekwalificeerd. Het zijn namelijk deze instinctieve, van de rede afgekeerde motiveringen, die gelijk staan aan de neiging. En deze door neiging ingegeven handelingen, zo zal Kant ons op de volgende pagina’s doen inzien, hebben geen morele waarde.

Echter, bijna aan het einde van dit zelfde eerste hoofdstuk gekomen – net nadat de categorische imperatief zelf besproken is en er daaromtrend een aantal voorbeelden zijn gegeven – gaat Kant wederom iets zeggen over de ‘gemeine Menschen’. Kant poneert namelijk dat men geen wetenschap en/of filosofie nodig heeft om te weten hoe te moeten handelen. Mensen zouden dit immers als vanzelf doen, aangezien zij door hun geboorte met de rede begiftigd zijn. Nu stelt Kant de ‘gemeine Menschen’, die het er zo even nog flink van langs kregen toen ze afgeschilderd werden als uitsluitend uit neiging handelende wezens, juist als voorbeeld voor de wetenschapper en/of filosoof: “[...] das praktische Beurteilungsvermögen vor dem theoretischen im gemeinen Menschenverstande so gar viel voraus habe.” [Kant 1785, p. 21] Immers wanneer de wetenschapper zijn theoretische beoordelingsvermogen gaat toepassen op niet-waarneembare zaken, zoals de moraal, dan kan dit enkel resulteren in tegenstrijdigheden. Het is daarentegen het praktische beoordelingsvermogen, wat bij alle mensen in gelijke mate aanwezig is, wat voor het inzien van de morele wet zorgt. Hierbij hebben de ‘gemeine Menschen’ op de wetenschappers en/of filosofen zelf een streepje voor, daar ze niet in de verleiding kunnen komen om het theoretische beoordelingsvermogen, wat ze immers ontberen, op deze kwestie toe te passen.

Wat moeten we nu van de ‘gemeine Menschen’ denken? Aanvankelijk leken het vooral hun instinctieve drijfveren volgende wezens te zijn, die voornamelijk hun eigenbelang najaagden en niet op de algemene wet gericht waren. Hoe kunnen zij dan toch, of zelfs juist zij, tot een inzicht van de algemene wet komen?

Drie proposities

Kant geeft tussen de twee hierboven besproken alinea’s in het eerste hoofdstuk de volgende drie proposities:

(1) Alleen een handeling die omwille van de plicht geschied, heeft morele waarde.

(2) De morele waarde van een handeling omwille van de plicht ligt niet in het doel wat er door bereikt moet worden, maar in de maxime op grond waarvan tot die handeling besloten wordt.

(3) Plicht is de noodzaak van een handeling omwille van achting voor de wet.

De eerste propositie is een afbakening van wat wel en wat niet tot het domein van de moraal gerekend mag worden. Hierbij worden de ‘gemeine Menschen’ die vooral vanuit hun neiging te werk gaan overduidelijk buitengesloten. Het kan nooit een neiging, maar enkel de plicht zijn die een handeling van haar morele waarde voorziet. De tweede propositie brengt deze onderscheiding nog wat duidelijker aan, door het verschil tussen geoogd doel en gevolgd maxime aan te geven.

Als we nu kijken naar de categorische imperatief, dan kunnen we inderdaad aannemen dat volgens dit procedé een aantal wetten kunnen worden afgeleid. Deze zijn dan inderdaad door de rede gegeven, omdat hun negatie tot een contradictie aanleiding zou geven. Dus dat de rede wetten kan geven, daarover hoeven we niet te twisten. Maar om vervolgens ook uit het feit dat de rede deze wetten geeft, af te kunnen leiden dat een specifieke mens aan deze wetten moet gehoorzamen – met andere woorden dat deze wetten ook meteen een motiverende kracht belichamen – is toch iets heel anders. Kant gebruikt het woord 'achting' om te kunnen verantwoorden dat uit het kennen van de wet de inclinatie tot handeling volgens deze wet voortkomt. Dit begrip ‘achting’ wordt in propositie (3) genoemd.

Achting en noodzaak

Hoe komt Kant aan het begrip ‘Achtung’? Naar eigen zeggen is de derde propositie een gevolg van proposities (1) en (2). Dit kan echter geen logisch gevolg in de strikte zin van het woord zijn, daar het begrip achting in proposities (1) en (2) nog in het geheel niet voorkwam, om vervolgens in propositie (3) de kop op te steken. De zaak wordt bovendien gecompliceerd doordat het woord ‘noodzaak’ wel in propositie (3), maar nog niet in de proposities (1) en (2) aangetroffen kan worden. Dit betekent dus dat ‘noodzakelijkheid’ volgt uit twee proposities die beide het begrip ‘noodzakelijk’ zelf niet in zich dragen. In propositie (1) wordt aangegeven wanneer een handeling morele waarde heeft. In propositie (2) wordt van deze subset van handelingen die een morele waarde bevatten, aangegeven waar we deze morele waarde moeten lokaliseren. In propositie (3) wordt het kenmerk wat verantwoordelijk was, in proposities (1) en (2), voor de afzondering van de subset van handelingen met een morele waarde, expliciet gedefinieerd. Dit kenmerk is de plicht. De plicht is op zijn beurt dan weer de noodzakelijkheid van een handeling. Dus we hebben als set alle mogelijke handelingen. Nu definiëren we de subset die enkel morele handelingen bevat, door te controleren op aanwezigheid van het kenmerk ‘plicht’ bij deze handelingen. Met andere woorden, we controleren op de aanwezigheid van de noodzakelijkheid van de handeling, gegeven de achting voor de wet. De wet is hier een uitkomst van de categorische imperatief. Wat nog over blijft om uit te leggen is hoe we uit het aanvaarden van zulk een maxime over kunnen gaan tot het stellen van het noodzakelijk zijn van een bepaalde handeling die uit deze regel zou moeten voortkomen.

Hume

We zijn nu op het punt beland waar Hume het in zijn Treatise of human nature over heeft. Namelijk bij de vraag hoe men van een regel tot een handeling kan geraken. Volgens Hume is het onmogelijk dat de rede dit voor elkaar kan krijgen. De rede motiveert niet, zo zegt hij meerdere malen. De passie daarentegen kan wel motiveren, en deze zal dan ook voor het handelen van de mens verantwoordelijk moeten zijn. Kant daarentegen neemt de achting aan. Deze achting is echter een geheel aan de rede ontsproten begrip en het is dan ook onduidelijk hoe, indien we er net als Hume vanuit gaan dat de rede niet motiveert, een door de rede gegeven begrip ons zou kunnen motiveren en hoe deze motivering bovendien noodzakelijkerwijs zou moeten volgen uit de door de rede gegeven wet. Dat de wet algemeen geldig is, kunnen we aannemen. Maar dat het onze plicht is haar te volgen, dat is nergens uit af te leiden. Dit zou slechts op twee manieren kunnen (1) door een andere wet die ons verplicht tot het volgen van de wet, of (2) door iets buiten de rede.

Modus ponens als handeling

We sloten de vorige paragraaf af met de keuze tussen twee manieren om vanuit een wet een bepaalde handeling, zijnde in overeenstemming met die wet, te kunnen motiveren. Hierin zien we een overeenkomst met een door Lewis Carroll aangestipt probleem betreffende Achilles en de schildpad. Achilles wil de schildpad er van overtuigen dat indien deze een implicatie (bv. A->B) en haar antecedent (bv. A) aanvaardt, hij daardoor ook de consequent van deze implicatie (d.i. B) zal moeten aanvaarden. De schildpad daarentegen verzet zich hier tegen en claimt dat hij weliswaar de implicatie alsmede haar antecedent bereid is aan te nemen, maar toch haar consequent in het geheel niet bereid is aan te nemen. Achilles probeert de schildpad uiteraard te overtuigen aangezien het hier om een zeer evidente redenering, gebruik makende van de modus ponens, gaat: indien een implicatie en zijn antecedent waar zijn, dan is ook het consequent waar, zo herhaalt Archilles. Maar de schildpad blijft de waarheid van het consequent ontkennen, omdat hij zich niet door een regel genoodzaakt voelt om dit ook daadwerkelijk als waar te moeten erkennen. Ook Achilles kan nu uit de twee aan het einde van de vorige paragraaf gegeven mogelijkheden kiezen. Hij kan nu namelijk (1) een nieuwe regel toevoegen die de handeling van de modus ponens regelt, of (2) een stap zetten die geheel buiten het stelsel van regels ligt. Tot de tweede mogelijkheid komt Achilles niet toe omdat hij geheel binnen het formalisme van de regels blijft redeneren. Hij gaat dan ook op wijze (1) te werk en voegt de volgende regel aan de premissen toe: indien een implicatie waar is, en haar antecedent is waar, dan is haar consequent eveneens waar. De set van premissen is nu als volgt: {A->B, A, ((A->B)^A)->B}. Echter noodzaakt ook deze laatste regel de schildpad evenmin om het originele consequent te moeten aanvaarden, immers daartoe zou er een regel moeten zijn die de handeling van de modus ponens op deze laatste regel wederom zou moeten regelen, enz. Het mag duidelijk zijn dat Achilles op deze wijze de schildpad nooit zal kunnen overtuigen. Of, zoals Stroud het in een artikel over dit artikel van Carroll formuleert: “Logic simply states what is the case, or that something implies something else; it does not state that people must accept certain things, or even that they must accept certain things if they already accept certain other things.” [Stroud 1979. p. 182]

Het mag duidelijk zijn dat de schildpad niet zal kunnen worden overtuigd met welke regel dan ook. En naar analogie met ons geval zal een mens nooit kunnen worden aangezet tot handelen, enkel en alleen gegeven een bepaalde maxime. Want er is geen regel die alle regels, inclusief zichzelf, regelt.

De keuze die nu overblijft, zowel voor Achilles in het trachten te overtuigen van de schildpad, als voor ons in het verklaren van de handeling als voortkomend uit een wet, is keuze (2), namelijk een stap buiten het stelsel van regels te maken; niet een nieuwe regel toe te voegen, maar een semantische invulling aan een reeds bestaande regel te geven. Hoe zal Achilles de schildpad overtuigen? Door een voorbeeld te geven. Door een waarheidstafel te geven. Met andere woorden: niet door een nieuwe regel toe te voegen, maar door de regel in het gebruik tot werking te doen komen. Dit is precies de motiverende kracht zoals door Hume beschreven.

Achtung baby!

Kant echter blijft binnen de rede. Hij noemt het principe wat de mens aan de wet doet gehoorzamen de ‘achting voor de wet’. Kant besteedt een uitvoerige noot aan het uitleggen van wat de achting nu precies is. Achting, zo leren we, is “het bewustzijn van de onderwerping van mijn wil aan een wet zonder bemiddeling van andere invloeden op mijn zintuigen.” Dat dit geen regel kan zijn hebben we hierboven afdoende aangetoont. Zulk een regel zou nooit in staat zijn om uit de algemeenheid van de wet de noodzakelijkheid van de handeling te kunnen verklaren. De achting is iets soortgelijks als de modus ponens. Immers indien ik A en A->B geloof, en ik neem vervolgens – op grond daarvan – B aan, zonder dat die afleiding zelf in welke wet dan ook gegeven is, dan moet dit voltrekken van de modus ponens ook een bewustzijn van de onderweping van mijn wil aan de regel A->B zijn.

Men kan natuurlijk makkelijk zeggen dat het aanvaarden en ook daadwerkelijk toepassen van de modus ponens een eigenschap van de mens is. Men kan zich bijvoorbeeld indenken dat de mensen in het oude Griekenland deze redeneervorm constant gebruikten en dat Aristoteles deze vervolgens, in geformaliseerde vorm, genoteerd heeft. En inderdaad mag zij ook geen uitvinding van de één of andere logicus genoemd worden, maar eerder een geformaliseerde notie van rationeel taalbegruik zoals dat nu eenmaal plaats vindt in het dagelijks leven. Zo kan men beweren dat een de modus ponens niet gehoorzamend persoon toch wel vroeg of laat in de problemen zal komen. Men zou kunnen zeggen dat dit soort mensen niet helemaal in orde is en wellicht enkel in het gesticht te vinden zijn. Maar wat betekent het voor de ‘gangbare’ mens om de modus ponens te gehoorzamen? Het betekent dat het brein van de mens bij geboorte reeds de structuur gehad moet hebben die deze vorm van redeneren faciliteerde. Of dat de mens zich deze redeneervorm reeds op zeer jonge leeftijd eigen heeft gemaakt door een bepaalde interactie met de wereld. Welke van deze twee het geval is laat ik in het midden. Waar het hier om gaat is dat men inziet dat ook andere valide methodes, zoals (mathematische) inductie, aangeboren of aangeleerd moeten zijn, alvorens ze kunnen worden toegepast.

Maar moet men de achting dan ook als een aangeboren extraatje zien? Volgens Kant, zij het op indirecte wijze, wel. De achting is het effect van de wet op het subject. De wet heeft dit effect op het subject doordat het subject rationeel is, dat wil zeggen vanaf de geboorte reeds met de rede begiftigd is. Maar toch lijkt deze uitleg nog genoeg ruimte over te laten voor discussie. Immers blijft deze door de wet in het subject opgeroepen achting bij Kant wel erg tentatief. Zou men hierin niet zelfs van een passie kunnen spreken? Een kalme passie wel te verstaan! Wat is de achting bij Kant anders dan een bepaalde inclinatie in het gemoed om het met een bepaalde syntactische wet wel of niet eens te zijn? Neem nu de wet dat men niet mag liegen, deze is op bekende wijze uit de categorische imperatief af te leiden, maar hebben alle rationele mensen nu ook automatisch achting voor deze wet? Ik denk het niet. Zo zijn er toch immers genoeg – of moet ik zeggen alle mensen – die in ieder geval niet altijd aan deze wet gehoorzamen. Dit klinkt vrij evident, immers wie kan zonder te liegen zeggen nog nooit gelogen te hebben? Maar dit betekent dus dat er – in ieder geval voor deze extreem grote groep mensen die zowel rationeel zijn, als toch ook zo af en toe wel eens liegen – het wel of niet liegen blijkbaar niet van de wet afhangt waarvoor zijn de een of andere achting zouden hebben, maar dat zij hun afweging veeleer maken op grond van zoiets als een saillante/deels rationele passie.

Conclusie

Kant zou natuurlijk gewoon van mening zijn dat mensen die zo nu en dan eens de wet overtreden door te liegen geen morele waarde in hun acties hebben liggen, maar uit een neiging te werk gaan. Maar wat betekent het als alle mensen op deze wijze te werk gaan? Het zou moeten betekenen dat geen mens rationeel is. Dit is natuurlijk geen acceptabele uitkomst. Probleem is dat de achting (1) door geen wet tot stand kan komen, en (2) niet tot het standaard arsenaal van de menselijke geest behoort, zoals bijvoorbeeld de modus ponens en de (mathematische) inductie daar wel toe behoren. De conclusie luidt dan ook dat de neiging niet tot de rede behoort en inderdaad, zoals Hume het stelde, een passie moet zijn.

Personal tools