Wetenschapsfilosofie volgens Kuhn

From WouterBeek.com

Jump to: navigation, search

Contents

Het ahistorisch stereotype

Kuhn verzet zich tegen het ahistorisch stereotype van de wetenschap wat volgens hem in de eerste plaats gekenmerkt wordt doordat het enkel gebaseerd is op de huidige staat van de wetenschap, zonder daarbij de volledige voorgeschiedenis in ogenschouw te nemen. Het tweede kenmerk van dit stereotype is het idee dat wetenschappelijke vooruitgang wordt gekenmerkt door de gestage accumulatie van kennis. De wetenschap zou bestaan uit een steeds groter wordende stapel feiten en theorieën, waar iedere nieuwe wetenschapper zijn of haar bijdrage aan toevoegt.

Deze destijds (The Structure of Scientific Revolutions kwam in 1962 uit) gangbare visie is, aldus Kuhn, niet in overeenstemming te brengen met de historische ontwikkeling van de wetenschappen. Door zich enkel op de meest recent behaalde resultaten te richten gaat men voorbij aan de vele bevindingen uit vroeger tijden die met de huidige in tegenspraak lijken te zijn. Zo gaat men er bijvoorbeeld van uit dat het evident is dat astronomie een wetenschap is, terwijl astrologie een zogenaamde pseudo-wetenschap wordt genoemd. Maar voor de onderzoekers van de 16de eeuw (en daarvoor) was dit onderscheid nog niet zo duidelijk.[1] De meeste astronomen waren tevens beoefenaren van astrologie, zonder deze bezigheden als minder wetenschappelijk te kwalificeren. Een ander voorbeeld van inconsistentie in de wetenschappen door de jaren heen, is de natuurkunde van Aristoteles. Deze wijkt erg af van die van Newton en is toepasbaar op een veel breder domein en zelfs op zaken die Newton niet tot de natuurwetenschappen wenste te rekenen.

Het fundamentele probleem van dit ahistorische wetenschapsbeeld wordt zo duidelijk. Wanneer we de incongruenties van de huidige staat van wetenschap met die uit het verleden onder ogen zien, kunnen we deze vroegere standpunten op twee manieren benoemen:

  • We kunnen ze fouten noemen, en zeggen dat hun bedenkers geen wetenschappers waren (of wetenschappers die zich vergisten). Hieruit volgt echter dat er in het verleden fouten zijn voortgebracht door serieuze wetenschappers. De vraag rijst dan waarom wetenschap in vroeger tijden (vrijwel) enkel fouten opleverde, terwijl zij tegenwoordig (vrijwel) enkel waarheden voortbrengt. De waarheidswaarde van modern onderzoek zou in het licht hiervan derhalve ook niet onomstreden mogen blijven. Het lijkt slechts een kwestie van tijd te zijn voordat ook de huidige theorieën fout genoemd zullen worden, en dan zullen ook de huidige onderzoekers geen wetenschappers meer zijn (of ten hoogste nog als zich vergissende wetenschappers bestempeld worden).
  • Indien wij deze incongruenties wel als wetenschap betitelen, is de idee van een ongecompliceerde accumulatie van kennis niet langer houdbaar. Er is dan een alternatief beeld van wetenschap nodig. Een beeld waarin verdisconteerd wordt dat vroegere theorieën soms niet in overeenstemming te brengen zijn met de huidige, zonder dat dit te wijten kan zijn aan het onwetenschappelijke karakter van deze onderzoekingen uit het verleden. Het probleem wordt, volgens Kuhn, opgelost door periodes in de geschiedenis van de wetenschap te isoleren en enkel nog de consistentie binnen deze periodes te waarborgen. Merk op dat zonder deze indeling in op zichzelf consistente periodes, de wetenschap zou bestaan uit een verzameling inconsistente claims. Onder zulke omstandigheden zou het beoefenen van een wetenschap binnen een gemeenschap niet eens mogelijk zijn. Het is namelijk niet duidelijke wat er nog van een wetenschap zou overblijven wanneer men de notie van compatibiliteit zou loslaten. De onderling incompatibele periodes - die in zichzelf dus wel compatibel zijn - in de geschiedenis van een wetenschap worden door Kuhn paradigma's genoemd.

Paradigma

Een paradigma is een overeengekomen raamwerk van expliciete en impliciete aannames wat gedurende een bepaalde periode, door een bepaalde gemeenschap van wetenschappers als basis wordt genomen op grond waarvan het door hen uitgevoerde onderzoek plaatsvindt. Tot deze aannames behoren (onder andere) welke fenomenen wel en niet onderzocht moeten worden, welke observatie-methodes daarbij moeten worden gehanteerd en hoe de verkregen resultaten moeten worden geïnterpreteerd. Het paradigma geeft tevens een visie op de toekomst. Het belooft de oplossing voor een breed scala van belangwekkende of interessant geachte problemen. Een paradigma is dan ook noodzakelijkerwijs open-ended. Het opent een groot aantal wetenschappelijke vacatures.

De definitie van het paradigma-begrip in het boek van Kuhn[2] lijkt enigszins een circulair te zijn: een paradigma is datgene wat door de leden van een wetenschappelijke gemeenschap gedeeld wordt, en een wetenschappelijke gemeenschap bestaat uit mensen die een paradigma delen.[3] Maar er zijn additionele aanwijzingen voor het bestaan van een paradigma te vinden, die buiten het vaststellen van het bestaan van een gemeenschap om gaan. Zo zullen, wanneer een paradigma ontstaat, de discussies over de fundamenten van het wetenschapsdomein afnemen. De taal die de onderzoekers hanteren zal specialistischer worden, en allengs onbegrijpelijk worden voor een buitenstaander. De praktiseerders zullen steeds specifiekere opleidingen volgen en het medium van publicatie zal steeds meer verschuiven: van algemeen toegankelijke boeken, naar zeer specialistische artikelen. Dit geheel van kenmerken, deze esoterische naar-binnen-gekeerdheid van een wetenschapsgebied, karakteriseren de aanwezigheid van een paradigma.

Een paradigma heeft buiten inhoudelijke voordelen (deze worden duidelijk in haar wedijver met andere, concurerende paradigma's, een onderwerp wat later nog aan bod zal komen) eveneens belangrijke sociale invloeden op de groep van wetenschappers die haar aanneemt. Zo sluit een paradigma de rijen. Alle wetenschappers zitten op één lijn, er zijn geen discussies meer over de te hanteren basisterminologie. Bovendien geeft een paradigma richting aan de wetenschapspraktijk, het bevordert de onderlinge communicatie (en daardoor de onderlinge samenwerking), en geeft vertrouwen in de toekomst (met het oog op de oplosbare problemen) en een superioriteitsgevoel ten opzichte van andere wetenschapsbeoefenaren buiten het paradigma, die nu immers als pseudo-wetenschappers worden gezien. Dat Kuhn deze sociale invloed van een paradigma zeer serieus neemt, blijkt uit het citaat van Bacon dat hij in deze context geeft: “Truth emerges more readily from error than from confusion.”[4]

Normale wetenschap

Binnen een paradigma voltrekt zich de zogenaamde 'normale wetenschap'. Dit is het werk van onderzoekers die binnen het programma van een paradigma een vacature vervullen, om de als relevant en oplosbaar gekwalificeerde problemen op te lossen op de door datzelfde paradigma aangegeven wijze. Normale wetenschap moet de vage beloftes van het paradigma waar maken. De praktijk van de normale wetenschap is volgens Kuhn dan ook het beste te vergelijken met het oplossen van puzzels. Het paradigma voorspelt dat voor bepaalde problemen oplossingen te vinden zijn. Verder zijn de regels gegeven aan de hand waarvan deze oplossingen te vinden zouden moeten zijn. Men moet deze regels echter niet al te strikt zien, en het woord 'regel' is hier misschien zelfs ongepast. Het bestaan van een oplossing staat weliswaar vast, alsmede de te gebruiken meetapparatuur en enige algemene formules aangaande de essentiële entiteiten waarop de onderzoeker zich moet richten, maar de exacte wijze waarop een oplossing bereikt kan worden is slechts zeer gedeeltelijk gespecificeerd en vereist meestal een groot aantal non-triviale stappen van de onderzoeker. Zo kan het zijn dat, om de oplossing voor een bepaalde puzzel te vinden, men de meetapparatuur moet verfijnen of dat men voor bepaalde gevallen aan de algemene formules additionele condities moet toevoegen. De normale wetenschap moet namelijk de globale ideeën op individuele gevallen toepassen en de impliciete aannames voor het concrete geval expliciteren. Normale wetenschap is daarmee een proces van verdere articulatie van het paradigma. Het is een herformulering, een precisering van wat impliciet al min of meer bekend was.

Gestalt & familiegelijkenis

Het is belangrijk om nog even extra aandacht te vestigen op datgene wat een gemeenschap van onderzoekers nu precies samenbindt in een zogenaamd paradigma. Deze overeenkomst bestaat uit een verzameling van eigenschappen die samen worden aanduiden als de ‘disciplinaire matrix’.[5] Deze bestaat (onder andere) uit de formules die binnen de gemeenschap van onderzoekers algemeen aanvaard worden, uit de metafysische assumpties die bepalen welke objecten bestaan en welke fenomenen waargenomen kunnen worden. Daarnaast bestaat de disciplinaire matrix uit de waarderingen die bepalen welke problemen van belang zijn en wat het betekent voor een theorie om accuraat, consistent, plausibel en elegant te zijn. Maar de component van deze binnen een gemeenschap van onderzoekers gedeelde kennis die, aldus Kuhn, het meest kenmerkend is voor wat hij met een paradigma aanduid, is het bestaan van zogenaamde ‘exemplarische oplossingen’, oftewel 'schoolvoorbeelden'. Het zijn oplossingen voor problemen uit het verleden die succesvol zijn gebleken en die de werking van het paradigma hebben aangetoond.

Waarom nu zijn deze schoolvoorbeelden zo belangrijk? Eerder is reeds aangehaald dat een paradigma open-ended is. Maar wat betekent het voor een paradigma om niet volledig gespecificeerd te zijn? Een paradigma bestaat, zo hebben we gezien, uit een verzameling formules, assumpties en valuaties, die worden samengebonden door enige prominente schoolvoorbeelden. Was een paradigma een volledig gespecificeerde regelset, dan was normale wetenschap niet eens mogelijk. Het ontdekken van nieuwe oplossingen zou dan bestaan uit het invullen van enige variabele in een gegeven formule en het volgens enkele logische wetten afleiden van een antwoord. Maar normale wetenschap is veel meer dan dat. Normale wetenschap bestaat, zoals hierboven reeds verhaald, uit het oplossen van vele (extreem) moeilijke puzzels. De moeilijkheid van deze puzzels bestaat uit het in verband brengen van een nieuw probleem met de verzameling formules, assumpties, valuaties en schoolvoorbeelden die de disciplinaire matrix constitueren (en een paradigma karakteriseren).

Een directe toepassing van de ingrediënten van de disciplinaire matrix is vaak niet mogelijk. Zelfs de generaliserende wetten binnen een disciplinaire matrix, bijvoorbeeld Newton's tweede wet (f = ma), zijn niet enkel wetten waarin eenduidig te observeren waarden moeten worden ingevuld. Deze wetten zijn namelijk tevens definities die de betekenis van de in de formule voorkomende variabelen vastleggen. De manier waarop de variabelen (f, m, a) naar de werkelijkheid verwijzen blijkt pas uit de specifieke toepassing van deze algemene wet in enige specifieke schoolvoorbeelden. De normale onderzoeker moet dus in het geval van een nieuw probleem de variabelen zien te lokaliseren in de werkelijkheid. Onder afwijkende omstandigheden is het meestal niet zonder meer mogelijk om zulk een lokalisatie te bewerkstelligen zonder de betekenis van de originele formule (enigszins) te veranderen. Bijvoorbeeld door bepaalde condities toe te voegen, of door de betekenis-toekenning van enige variabelen te veranderen.[6]

Er moet dus een andere, niet (geheel) in regels en methode te vangen, kracht zijn die de onderzoeker tot de oplossing brengt (of in ieder geval in de buurt van de oplossing brengt). De oplossing die de normale onderzoeker moet vinden zal een zogenaamde ‘familiegelijkenis’ (het woordgebruik is van Wittgenstein) tot de reeds bekende schoolvoorbeelden moeten bezitten. De oplossing voor het nieuwe probleem zal enigszins moeten lijken op enige reeds bestaande oplossingen, maar zal op andere gebieden juist weer daarvan afwijken. Wat het paradigma heeft gedaan is de mogelijke ruimte van verklaringen dusdanig limiteren, en een zo eenduidig vocabulaire vast stellen, dat de onderzoeker het nieuwe probleem in het licht van de schoolvoobeelden leert zien. De langdurige blootstelling van zijn of haar geest aan de handboeken van het paradigma, de tijdschriften van zijn collega’s en de oplossingen die in het verleden succesvol bleken, zorgen er voor dat hij of zij de nieuw waargenomen fenomenen in eenzelfde Gestalt aanschouwt. Het paradigma is derhalve noodzakelijk om de problemen op een manier te zien die de mogelijkheid van een oplossing bewerkstelligd.

Had dezelfde onderzoeker een andere opleiding ondergaan, was hij of zij in contact getreden met andere tijdschriften, waren andere formules uit het hoofd geleerd, waren hem of haar tijdens de opleiding andere schoolvoorbeelden onder ogen gekomen, dan had deze gene naar andere entiteiten gezocht, waren de meetresultaten anders geïnterpreteerd en hadden de door hem of haar gepostuleerde relaties tussen deze belangwekkend geachte entiteiten een familiegelijkenis bezeten tot andere formules.

Pre-paradigmatische fase

Niet iedere wetenschap heeft op ieder moment een paradigma gehad. Elke wetenschap begint in een zogenaamde pre-paradigmatische fase. In deze fase is er nog geen consensus bereikt onder de onderzoekers over de te hanteren methode, de te gebruiken meetapparatuur of de metafysica van het onderzoeksdomein. Deze periode wordt dan ook gekenmerkt door onderlinge onenigheid. Er zijn net zo veel theorieën als praktiseerders van deze wetenschap. Iedereen heeft zijn of haar eigen visie. De wetenschappelijke literatuur is, als gevolg van het ontbreken van een gedeelde basis, relatief toegankelijk voor buitenstaanders. Publicatie vindt plaats in de vorm van lijvige boekwerken waarin de eigen visie breed moet worden uitgemeten.

Anomalieën & Falsificatie

Het kan voorkomen dat binnen een paradigma een probleem wat oplosbaar geacht werd, niet door de puzzel-oplossende normale wetenschapper kan worden opgelost. In eerste instantie wordt de specifieke onderzoeker, hij of zij die niet met een oplossing kan komen die aan de door het paradigma gestelde eisen voldoet, als onbekwaam gezien. Als vervolgens echter een aantal wetenschappers, waaronder enige met een zeker aanzien binnen het vakgebied, eveneens onsuccesvol blijken te zijn in het oplossen van dit probleem, wordt het – door sommigen – een anomalie genoemd.

Dit is de reden waarom er volgens Kuhn in de wetenschappelijke praktijk helemaal geen falsificatie plaatsvindt. Indien een theorie zou worden verworpen op ieder moment dat zij niet in overeenstemming te brengen lijkt met nieuwe observaties, is dat ondermijnend voor de normale wetenschapspraktijk zoals hierboven beschreven. Misschien is de mislukking wel te wijten aan het gebruik van onnauwkeurige meetapparatuur, misschien is de onderzoeker een onsuccesvolle puzzelaar, misschien zijn de specifieke condities die aan de formule moeten worden toegevoegd nog niet geheel duidelijk. Er is dan ook geen hard criterium vast te stellen op basis waarvan een mislukte toepassing van de theorie op een nieuw probleem een anomalie genoemd dient te worden. Meestal zal een deel van de wetenschappers een voor langere tijd openstaand probleem als anomalie bestempelen. Anderen zullen echter er van uit blijven gaan dat toekomstige ontwikkelingen binnen het paradigma uiteindelijk uitkomst zullen bieden. Een uiteindelijke oplossing voor een anomalie is immers nooit geheel uit te sluiten.

Anomalieën, crisis & wetenschappelijke revolutie

Herhaalde mislukkingen om meerdere anomalieën in de bestaande theorie in te lijven (of succesvolle pogingen die dit wel bewerkstelligen, maar die de eenvoud en elegantie van de theorie aantasten) kunnen wel er toe leiden dat er bij een substantiële groep wetenschappers een gevoel van wantrouwen ten opzichte van het huidige paradigma gaat ontstaan. Wanneer deze groep groot genoeg wordt zullen de discussies betreffende de grondvesten van de wetenschap weer opnieuw oplaaien. Er breekt een periode aan die in bepaalde opzichten te vergelijken is met de pre-paradigmatische periode. De mate van consensus zal afnemen en verschillende theorieën, die onderling incommensurabel kunnen zijn, zullen worden voorgesteld. Verschillende posities komen nu tegenover elkaar te staan: het oude paradigma tegenover één of meerdere nieuwe kandidaat-paradigma’s, alsmede de kandidaat-paradigma’s onderling. Deze periode wordt een wetenschappelijke crisis genoemd. Wanneer een van deze posities succesvoller lijkt te zijn dan de overige, zal deze het nieuwe paradigma gaan vormen. Het probleem is nu: hoe definiëren we succes?

Het succes van het nieuwe paradigma bestaat uit haar mogelijkheid om anomalieën op te lossen die in het vorige paradigma nog onoplosbaar leken te zijn (of die de theorie gecompliceerd en onelegant maakten). Hierbij moeten echter niet te veel van de in het vorige paradigma opgeloste problemen in het nieuwe paradigma verloren gaan. De onderzoekers hebben immers veel werk gestoken in het oplossen van puzzels en enige technische applicaties zijn hier mede op gebaseerd. Een nieuwe theorie kan ook succesvol zijn doordat zij het onderzoeksdomein, en daarmee de toepasbaarheid van de apparatus, verbreedt. Of zij kan het domein van toepasbaarheid juist verkleinen, maar dan wel tegelijkertijd in de beschrijving voor de gevallen binnen die subset een grotere mate van precisie weten te bereiken.

Het belangrijkste aspect van deze crisis-periode komt nu naar voren, namelijk dat het keuzeproces voor een nieuw paradigma een afweging is tussen de voor- en nadelen van de kandidaat-paradigma’s onderling. Indien er één kandidaat is die de overige subsumeert is de keuze eenvoudig te maken, maar meestal is dit niet het geval. De kandidaten zijn vaak moeilijk onderling te vergelijken, doordat zij verschillende aannames over de werkelijkheid maken en zij in hun formules andere entiteiten als parameters nemen. (Zoals hierboven reeds beschreven bestaat een paradigma niet uitsluitend uit wel-geformuleerde regels en wel-gedefinieerde entiteiten, waardoor een interpretatiefunctie tussen paradigma’s niet gegeven kan worden.) Dit gehele proces, van een algemeen aanvaard paradigma, via de twijfel – veroorzaakt door anomalieën – over haar geldigheid en de competitie tussen verschillende kandidaats-paradigma’s, tot een nieuw algemeen aanvaard paradigma, is wat Kuhn een ‘wetenschappelijke revolutie’ noemt.

Wetenschappelijke vooruitgang

Blijft de idee van wetenschappelijke vooruitgang onder de theorie van Kuhn nog wel gehandhaafd? Dit idee was voor Popper (en andere voorgangers van Kuhn) immers het centrale verschijnsel wat uitleg behoefde.[7] Kuhn’s antwoord op deze vraag is tweeledig.

Tijdens periodes van normale wetenschap is het eenvoudig om vooruitgang aan te geven. Immers worden de valuaties, die bepalen welke oplossingen het accuraat, elegant en precies zijn, door het paradigma aangeleverd. En aangezien deze denkbeelden tevens door de praktiseerders van een wetenschapsgebied worden gedeeld, bestaat er een relatieve eensgezindheid op dit punt.

Wanneer we de wetenschappelijke vooruitgang over paradigma’s heen moeten verantwoorden wordt het echter moeilijker. Nu zijn de waarderingen op basis waarvan tot de superioriteit van de ene oplossing boven de anderen kan worden besloten niet langer meer eenduidig. Men zou kunnen stellen dat, in het ontbreken van een duidelijke specificatie op basis waarvan een oordeel kan worden geveld, de ‘sterkste’ kandidaat het uiteindelijk wint. Het selectieproces zou dan kunnen worden beslecht door autoriteit alleen (aangedreven door bijvoorbeeld politieke of religieuze motieven). Maar dit is volgens Kuhn niet het geval:

“If authority alone, and particularly if nonprofessional authority, were the arbiter of paradigm debates, the outcome of those debates might still be revolution, but it would not be scientific revolution.” [Kuhn1996, p. 167]

Kuhn geeft vervolgens een aantal eigenschappen die constitutief zijn voor iedere wetenschappelijke gemeenschap. Dit zijn dus eigenschappen die over alle paradigma’s heen blijven gelden. Dit aspect van Kuhn’s visie op de wetenschapsfilosofie wordt vaak veronachtzaamd en men hoort vaak de claim dat er geen algemene wetenschappelijke methode voorhanden is. Misschien is deze claim waar, wellicht is zij dat niet, maar het is hier belangrijk om in ogenschouw te nemen dat Kuhn deze claim uitdrukkelijk niet onderschrijft. Tot de algemene wetenschappelijke methode behoren de voorwaarden om tot een professionele wetenschapsgemeenschap te behoren. Hieronder wordt onder andere verstaan het methodologisch naturalisme:

“The scientist must, for example, be concerned to solve problems about the behavior of nature.” [Kuhn1996, p. 168]

Verder mag een door een wetenschapper aangedragen oplossing voor een probleem niet afhankelijk zijn van zijn persoonlijke peculiariteiten, maar moet door een substantiële groep onderschreven worden. Deze groep mag niet op arbitraire wijze uit de populatie genomen zijn, maar moet bestaan uit een duidelijk geïnstitutionaliseerde gemeenschap van professionals die zich gedurende vele jaren met hetzelfde onderzoeksdomein hebben bezig gehouden. Het is bovendien uitdrukkelijk verboden om wetenschappelijke keuzes te laten leiden door de heersende politieke macht, of door te conformeren aan de toevallige mening van de ongeëduceerde meerderheid.

Literatuur

Ellison, H. J. 1961. 'The Decision to Collectivize Agriculture.' In: American Slavic and East European Review, Vol. 20, No. 2. (Apr., 1961), p. 189-202.

Popper, K. 2002. The Logic of Scientific Discovery. Routlet Classics: London & New York.

Kuhn, T.S. 1974. 'Second Thoughts on Paradigms.' In: Suppe, F. (ed.) The Structure of Scientific Theories. p. 459-482. Reprinted in: The Essential Tension.

Kuhn, T.S. 1977. ‘Logic of Discovery or Psychology of Research.’ In: The Essential Tension. p. 266-292. University of Chicago Press: Chicago & London.

Kuhn, T.S. 1996. The Structure of Scientific Revolutions. 3rd edition. 1st edition: 1962. Including the 1969 postscript. The University of Chicago Press. London.

References

  1. Kuhn1970, p. 274-275.
  2. Kuhn1996.
  3. Op de definitie van de term paradigma is veel kritiek, niet in de laatste plaats van de hand van Kuhn zelf, gekomen. In het vanaf de tweede editie van Structure toegevoegde 'Postscript' wordt het gebruik van de term dan ook verder verduidelijkt en verantwoord. Het nu volgende exposé, over het op niet-circulaire wijze identificeren van een paradigma, is eveneens aan dit postscript ontleend. Eenzelfde nadere precisering van de term 'paradigma' is te vinden in Kuhn1974.
  4. Kuhn1996, p. 18.
  5. Kuhn heeft deze term in zijn latere werk geïntroduceerd. De term ‘paradigma’, in de enge zin, valt samen met de set van exemplarische voorbeelden uit de disciplinaire matrix. Maar Kuhn’s gebruik van de term is niet overal consistent (zeker niet consistent met zijn vroegere werk), en de term ‘paradigma’ in de brede zin (dit is de betekenis die in dit paper aan de term wordt toegekend) valt samen met de gehele disciplinaire matrix. De term wordt hier toch kort geïntroduceerd om aan te geven dat de exemplarische voorbeelden door Kuhn geacht worden de belangrijkste entiteiten te zijn die het onderzoek richting geven.
  6. Twee voorbeelden van formules die een familiegelijkenis vertonen met f = ma zijn de formule voor vrije val en de formule voor een eenvoudige pendulum. Er zijn zo meerdere varianten. Zij hebben onderlinge overeenkomsten, maar ze wijken ook allemaal ten opzichte van elkaar af. Deze specifieke formules zijn opgesteld door beoefenaren van normale wetenschap. De formules zijn niet uit de originele tweede wet van Newton te verkrijgen door een deductieproces wat op voorhand bekend was.
  7. “The central problem of epistemology has always been and still is the problem of the growth of knowledge.” [Popper2002, p. xix]
Personal tools